Veilig over Rijkswegen 2016 : deel A: verkeersveiligheid landelijk beeld

H. Drolenga, L. de Vries, W. Mieras ; Sweco Nederland, red. M. de Niet ; DGMo, red. Y. Janssen ; Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS, WVL)
Delft : RWS, WVL
26-10-2018

Geeft inzicht in de stand van zaken van de verkeersveiligheid op het Rijkswegennet in Nederland tot en met 2016. Bij verschillende uitsplitsingen naar aandelen, soorten ongevallen en betrokkenen is gebruik gemaakt van een periode van de afgelopen 3 jaar (2014-2016) om de invloed van jaarlijkse fluctuaties te beperken. Ontwikkeling slachtoffers (op basis van geschat werkelijke aantallen) Geen ophoging ernstige verkeersslachtoffers voor het Rijkswegennet vanaf 2011 Jaarlijks wordt het aantal ernstige verkeersgewonden op het totale Nederlandse wegennet opgehoogd naar de werkelijke omvang aantallen door een koppeling te leggen met LMR-gegevens (Landelijke Medische Registratie). Vanwege de lage registratie verkeersongevallen in Nederland, vindt vanaf 2011 geen ophoging plaats naar werkelijke omvang verkeersgewonden voor de Rijkswegen. In 2016 vielen er in heel Nederland (inclusief het onderliggend wegennet) 629 verkeersdoden. Dit is iets meer dan het aantal verkeersdoden in 2015, toen het er 621 waren. Het aantal ernstig verkeersgewonden in heel Nederland in 2016 bedraagt 21.400. In 2015 waren er 21.300 ernstig verkeersgewonden. Al sinds 2007 is sprake van een toename van het aantal ernstig verkeersgewonden, maar in 2012 en 2013 was er een lichte daling van de aantallen. De toename die in 2007 is begonnen lijkt zich vanaf 2014 weer voort te zetten. In totaal vielen er 80 dodelijke slachtoffers op het Rijkswegennet in 2016. In 2015 vielen er 82 doden op het Rijkswegennet. Dit is een afname van 2,4%. Vanwege het ontbreken van opgehoogde cijfers over de jaren 2014 t/m 2016, is het vervolg van deze samenvatting gebaseerd op de geregistreerde ongevallen uit BRON. Registratiegraad verkeersongevallen Het aantal ingezonden processen verbaal van slachtofferongevallen met ernstig letsel daalt al sinds 2010. Toch wil RWS zoveel mogelijk kwalitatief goede informatie opnemen in BRON. Daarom worden de zogenaamde kenmerkenmeldingen (uit de politiemeldkamers) en incidentmeldingen (uit de RWS-verkeerscentrales) toegevoegd aan BRON. Van deze meldingen is slechts “de locatie van het verkeersongeval” op het wegennet bekend. Om geen informatie verloren te laten gaan wordt deze summiere informatie zoveel als mogelijk meegenomen. De toegezegde maatregelen van de minister van Veiligheid en Justitie om de politieregistratie van ernstig verkeersgewonden te verbeteren zijn in 2013 geïmplementeerd. Ook heeft de politie samen met het Verbond van Verzekeraars en VIA het initiatief genomen om de registratie van verkeersongevallen met uitsluitend materiële schade door betrokkenen te vereenvoudigen. Daartoe is in maart 2016 de STAR website en app gelanceerd. Deze nieuwe en aanvullende ongevallenregistratie die uiteraard aan RWS t.b.v. de nationale verkeersongevallendatabase wordt verstrekt, maakt het mogelijk meer verkeersongevallen in beeld te brengen. De registratie van verkeersongevallen in BRON is in 2016 op hetzelfde niveau als in 2015 gebleven, in de jaren daarvoor was steeds sprake van een verbetering (17% in 2013, 20% in 2014, 28% in 2015 en ook 28% in 2016). Sinds 2015 vindt er een wijziging in de politieregistratie plaats. De politie geeft alleen aan of iemand naar een ziekenhuis is vervoerd, terwijl deze in BRON nog wel worden weergegeven als “ziekenhuisopname”. Hierdoor is het niet meer mogelijk een betrouwbaar onderscheid aan te brengen tussen het letsel van de slachtoffers (letsel met daadwerkelijke ziekenhuisopname, letsel spoedeisende hulp, letsel overig). Ook worden sinds 2015 alle gegevens uit de politieregistratie overgenomen en vindt geen controle meer plaats op deze ingevulde gegevens. De verandering in politieregistratie heeft gevolgen voor de definitie van het begrip ‘ernstig gewonden’ in Veilig over Rijkswegen deel A voor ongevallen vanaf 2015. Een ernstig gewond slachtoffer is hierdoor sinds 2015 een verkeerslachtoffer dat als gevolg van een ongeval op een rijksweg is vervoerd naar het ziekenhuis (en dus niet per se is opgenomen). Hierin is dus sinds 2015 ook het veel grotere aandeel van de spoedeisendehulpgevallen begrepen, die gemiddeld genomen een lagere letselernst kennen dan de gevallen met ziekenhuisopname. De wijziging in registratie zorgt voor hogere absolute aantallen ernstige slachtofferongevallen en slachtoffers. Ook de geregistreerde risicocijfers zijn hierdoor ten opzichte van vorige uitgaven van Veilig over Rijkswegen, hoger, zonder dat dat hoeft te betekenen dat het risico daadwerkelijk is toegenomen. De geregistreerde gevallen kunnen daardoor niet zonder meer worden vergeleken over de tijd. Vergelijkingen van wegen onderling in dezelfde periode kunnen daarentegen nog wel worden gemaakt indien rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de beschikbare gegevens. Aard en toedracht ongevallen De aard van een ongeval is in 2016 ten opzichte van 2015 beter geregistreerd, met als gevolg een percentuele afname van de categorie ‘onbekend’. In 38,9% van de geregistreerde ernstige slachtoffergevallen gaat het om een enkelvoudig ongeval. Dit is daarmee de grootste categorie voor de ongevallen gesorteerd naar aard ongeval. In 2016 is de toedracht van het ongeval nimmer geregistreerd, in 2015 werd er bij 3% van de ernstige slachtofferongevallen een toedracht geregistreerd. Omwille van deze lage registratiegraad kunnen er voor de periode 2014-2016 geen uitspraken over de toedracht worden gedaan. Bij beschouwing van enkel de dodelijke ongevallen geldt ook dat ‘enkelvoudig’ als aard het meest voorkomt (39,2% van de gevallen). Bij de ziekenhuisgewonde ongevallen, is ook ‘enkelvoudig’ de meest voorkomende groep (38,8% van de gevallen). Op autosnelwegen is de ongevalsaard ‘enkelvoudig’ het meest voorkomend (42,1%). Voor autowegen geldt dat de aard ‘enkelvoudig’ met 31,3% het meest voorkomt. Rondom kruispunten vormen flankaanrijdingen de grootste categorie voor ‘aard’ (40,7%). Vervoerwijze De personenauto is met 1944 van de 3419 ernstige slachtoffers (56,9%) de vervoerwijze met het grootste aandeel. Over de toedracht van een ongeval waarbij kwetsbare verkeersdeelnemers zijn betrokken kan door slechte registratie (234 van de 277 ongevallen is de toedracht onbekend) geen conclusies worden getrokken. 26,3% van de ernstige slachtofferongevallen met tenminste één kwetsbare verkeersdeelnemer vindt plaats op autosnelwegen. ? Bestuurders en gedrag De grootste aantallen ernstige slachtoffers op Rijkswegen in de periode 2014-2016 vallen in de leeftijdsklassen 18 t/m 24 jaar (18,5%) en 40 t/m 49 jaar (16,5%). Het aandeel dodelijk slachtoffers binnen de ernstige slachtoffers ligt afhankelijk van de leeftijdsklasse tussen de 2% (12 t/m 15 jaar) en 9% (50 t/m 59 jaar). Indien wordt gecorrigeerd voor verkeersprestatie dan is het risico voor ernstige slachtoffers het grootst in de leeftijdsklasse 75+. Daarna volgen de klassen 18 t/m 24 jaar en 25 t/m 29 jaar. De personenauto heeft voor alle leeftijdsklassen het grootste aandeel in het aantal ernstige slachtoffers. De klassen 12 t/m 15 jaar en 16 t/m 17 jaar zijn de enige klassen waarbij de personenauto de vervoerwijze is van minder dan de helft van de ernstige slachtoffers. In deze klasse hebben de fiets en bromfiets relatief een groot aandeel. Het aandeel ernstige slachtoffers op motorfietsen neemt tussen 18 en 59 jaar geleidelijk toe, terwijl het aandeel van de personenauto afneemt. Het aandeel van de andere vervoerwijzen blijft een vrij constant aandeel houden. Wel neemt het aandeel van de fiets boven de 60 jaar toe. Tijdstip op de dag De meeste ernstige slachtofferongevallen vinden plaats tussen 17 en 18 uur (9,8%). Het rustigste uur is tussen 3 en 4 uur in de nacht. In relatie tot de verkeersprestatie op rijkswegen per uur, komt naar voren dat de risicomaat in de nacht eruit springt (met om 3-4 uur zelfs een factor 10 groter dan t.o.v. de risicomaat gedurende de dag). Er vinden in de nacht minder ongevallen plaats dan overdag, maar in relatie tot de verkeersprestatie juist veel meer dan overdag. Infrastructuur Hoewel per kilometer weglengte de meeste ongevallen op de autosnelwegen vallen, is het risico hier per voertuigkilometer juist het laagste. Deze tegenstelling wordt verklaard door het feit dat autosnelwegen ook de drukste wegen van het netwerk zijn. Het risicocijfer op autosnelwegen bedraagt 10,8 ernstige slachtofferongevallen per miljard gereden voertuigkilometers. Op autowegen bedraagt het risicocijfer 19,3. Voor overige rijkswegen is dit 26,1. Dit betekent dat de kans om betrokken te raken bij een ernstig slachtofferongeval op autosnelwegen kleiner is dan op niet-autosnelwegen. Het risicocijfer van het totale Rijkswegennet bedraagt 11,6 ernstige slachtofferongevallen per miljard gereden voertuigkilometers. Er is geen landelijke norm voor risicocijfers op Rijkswegen. Daarom is het Rijkswegennet opgedeeld in (1) wegvakken met een risicocijfer kleiner dan het landelijke gemiddelde voor het betreffende wegtype (bijvoorbeeld ASW 2x2), (2) wegvakken met een risicocijfer tussen het landelijk gemiddelde en twee keer het landelijk gemiddelde en (3) wegvakken met een twee keer zo hoog risicocijfer als het landelijk gemiddelde. Ruim 2600 kilometer (56%) van het autosnelwegennet met 2 of 3 rijstroken heeft een lager E-risicocijfer dan het landelijke gemiddelde. Het aantal autosnelwegkilometers met een E-risicocijfer dat twee keer zo hoog is als het landelijke gemiddelde bedraagt voor 2x2 autosnelwegen 365 kilometer (9%); voor autosnelwegen met 3 rijstroken betreft het 39 kilometer (5%). Op autosnelwegen met meer dan 3 rijstroken heeft 12 kilometer een twee keer zo hoog E-risicocijfer als het landelijke gemiddelde (5%). Voor de autosnelwegen liggen deze trajecten met een E-risicocijfer hoger dan twee keer het landelijk gemiddelde vooral in de Randstad en in het noorden van Nederland. Rond grote steden en nabij knooppunten hebben trajecten vaker een hoog E-risico. Op autowegen (rijks-N-wegen) met 1 en 2 rijstroken heeft respectievelijk 90 kilometer (22%) en 21 kilometer (7%) een E-risicocijfer dat twee keer zo hoog is als het landelijke gemiddelde voor deze wegtypen. Op overige rijks-N-wegen betreft het 8 kilometer (2%). Het risicocijfer over de periode 2014-2016 van 12,1 ernstige slachtofferongevallen per miljard gereden voertuigkilometers op autosnelwegen met een snelheidslimiet van 130 km/u ligt hoger dan het risicocijfer van 8,5 op autosnelwegen met een snelheidslimiet van 120 km/u. Voor autowegen en overige wegen onderling is geen betrouwbare vergelijking te maken voor verschillende maximumsnelheden, omdat op autowegen verreweg de meeste voertuigkilometers worden gemaakt bij 100 km/u en bij overige wegen bij 80 km/u. Op trajecten waar permanent 130 km/h is gaan gelden, is ten opzichte van trajecten waar de snelheidslimiet 120 km/h is gebleven, op etmaalbasis sprake van een 10% negatievere ontwikkeling als de dodelijke ongevallen als de ongevallen met ziekenhuisgewonden samen in beschouwing worden genomen (ontwikkeling ongevalsrisico 1,24 versus 1,12). Op trajecten waar variabel 120/130 km/h is gaan gelden, is ten opzichte van trajecten waar de snelheidslimiet 120 km/h is gebleven, op etmaalbasis sprake van een 30% negatievere ontwikkeling (ontwikkeling ongevalsrisico 1,46 versus 1,12). Een blackspot (BS) is gedefinieerd als een locatie waarbij binnen 300 meter stroomafwaarts van dit punt minimaal 6 slachtofferongevallen (niet alleen dodelijke ongevallen en ziekenhuisongevallen maar ook ongevallen met minder ernstig letsel) hebben plaatsgevonden in de periode 2014-2016. Van de in totaal 18 blackspots zijn er 9 locaties met 6 of meer slachtofferongevallen op RWS-gebied en daarnaast 9 locaties met minder dan 6 slachtofferongevallen op RWS-gebied maar waar het totale aantal slachtofferongevallen, inclusief het deel van de decentrale wegbeheerder, wel 6 of hoger betreft.

91 p.
Kenmerk SWNL0215087
Definitief
Versie 1.0