Onder het zand beland : effecten van strand- en onderwatersuppleties op het macro- en epibenthos van de nabije kustzone, onderzocht met behulp van Systematisch Strandonderzoek (pilotstudie) : periode 1978-2008

A.W. Gmeling Meyling, R.H. de Bruijne
Bennebroek : Metridium (etc.)
2009

In 1978 is aan de Nederlandse kust, tussen Katwijk en Noordwijk, een vorm van systematisch aanspoelselonderzoek gestart, waarbij wordt getracht door het wekelijks inventariseren van aangespoelde organismen op het strand inzicht te krijgen in de fauna in de nabije kustzone. Vanaf 1991 vindt dit onderzoek ook plaats op zeven andere trajecten (van 1 tot 4 km) langs de Noordzeekust. Bij de tellingen worden levende exemplaren en verse resten betrokken van onder meer wormen, kwallen, bloemdieren, tweekleppigen, slakken, krabben, heremietkreeften en stekelhuidigen. Eerdere analyses van de verzamelde data gaven aan dat met dit monitoringsonderzoek populaties die leven in de nabije kust (tot 1 à 3 km uit de kust) inderdaad kunnen worden gevolgd. De afgelopen decennia worden in opdracht van de Nederlandse overheid, langs de door afslag geteisterde Nederlandse kustlijn zandsuppleties uitgevoerd, zowel op het strand (strandsuppleties) als in toenemende mate in de vooroever (onderwatersuppleties). Doel is de kustlijnpositie uit 1990 te handhaven. Het is aannemelijk dat hierdoor het ecosysteem in de nabije kustzone wordt verstoord. De Nederlandse overheid wil de effecten van de suppleties op de fauna laten onderzoeken. Omdat systematisch aanspoelselonderzoek, zoals uitgevoerd door Stichting ANEMOON met ‘strandwachten' juist zicht geeft op populaties in de zone waar de suppleties plaatsvinden, is door Deltares opdracht gegeven voor een pilotstudie met behulp van dit type onderzoek. Presenteert de resultaten van deze studie. Doelstelling was na te gaan of met systematisch strandonderzoek eventuele faunaveranderingen als gevolg van suppleties kunnen worden aangetoond. Daarnaast is gevraagd hypotheses op te stellen en aanbevelingen te doen voor vervolgonderzoek met behulp van deze methode naar de effecten van suppleties. Het huidige onderzoek laat zien dat er over de periode 1978 t/m 2008 bij opvallend veel soorten langdurig dalende trends te zien zijn en dat deze trends zich in grote lijnen langs de gehele Zuid- en Noord-Hollandse kust hebben voorgedaan. Deze negatieve trends zijn het duidelijkst bij de fauna die in de bodem leeft (macrobenthos) en wat minder duidelijk bij de fauna die op de bodem leeft (epibenthos). Met name relatief veel soorten tweekleppigen vertonen duidelijke trends. De negatieve trends lijken echter niet of niet alleen het gevolg van suppleties, maar worden waarschijnlijk in belangrijke mate door andere niet bekende factoren veroorzaakt. Uit het onderzoek komen echter wel effecten van suppleties naar voren. Vooral bij tweekleppigen treden er duidelijke populatiedalingen op ten gevolge van de suppletie. De populaties van de meeste soorten herstellen zich echter binnen één tot drie jaar na de suppletie. Strandsuppleties hebben soortgelijke effecten als onderwatersuppleties, maar de effecten zijn beduidend minder sterk en van kortere duur. Herstel na suppleties mag zich dan wel 1 tot drie jaar voltrekken, maar de tendens is dat steeds vaker suppleties zullen worden uitgevoerd. Zeker wanneer in bepaalde gebieden geregeld binnen enkele jaren opnieuw onderwatersuppleties worden uitgevoerd, is het goed mogelijk dat herstel nauwelijks kan plaatsvinden. Dan zal er een soortenverschuiving optreden, waarbij soorten die zich het snelst kunnen herstellen in grotere dichtheden zullen optreden dan in de tijd vóór de suppleties. Vooral een opportunist als de Amerikaanse zwaarschede profiteert van de verstoringen ten kosten van andere soorten tweekleppigen. Daarnaast zijn er enkele soorten tweekleppigen die in de periode 1978 t/m 1985 sterk waren afgenomen en maar die de laatste jaren in (zeer) geringe mate weer wat lijken toe te nemen als gevolg van de suppleties. Het relatief geringe aantal onderzoekstrajecten en het relatief lage aantal zandsuppleties in de onderzoeksperioden nabij de onderzoekstrajecten, hebben tot gevolg dat meer specifieke vraagstellingen nog niet met significant resultaten konden worden beantwoord. De verwachting is dat voortzetting en uitbreiding van het systematische aanspoelselonderzoek, met als gevolg meer waarnemingen, in combinatie met nog geavanceerdere statistische technieken, er hoogstwaarschijnlijk toe zal leiden dat meer specifieke vraagstellingen met betrekking tot zandsuppleties zullen kunnen worden beantwoord.

78 p.
ill.
bijl.
Met lit.opg.
In opdracht van Deltares te Delft
Projectnaam: zandsupl-01