Kaderrichtlijn Marien indicatoren Noordzee : naar een uitgebalanceerde selectie van indicator soorten ter evaluatie van habitats en gebieden en scenario’s hoe die te monitoren

S. Wijnhoven, G. Duineveld, M. Lavaleye, J.Craeymeersch, K. Troost, M. van Asch ; NIOZ ; IMARES
Den Hoorn : NIOZ
31-05-2013

De huidige studie heeft meerdere doelen. Het eerste doel is het selecteren van een set ‘slimme’ indicatoren (soorten of samengestelde indicatoren) ter evaluatie van de status van gebieden in het Nederlandse deel van de Noordzee waar bodembeschermingsmaatregelen genomen zijn of worden in het kader van de Habitatrichtlijn (HR) en Kaderrichtlijn Marien (KRM). Uitgangspunt voor het zoeken naar ‘slimme’ indicatorsoorten vormde de lijst met ‘typische soorten’ die reeds in het kader van Habitatrichtlijn voorgesteld zijn voor specifieke gebieden op het NCP. Deze lijst is uitgebreid met soorten aangedragen door de auteurs en de partners in dit project op basis van expert judgement. Via literatuuronderzoek zijn aan iedere soort scores toegekend met betrekking tot hun gevoeligheid voor bodemverstoring, hun potentieel voor herstel, lichaamsgrootte, en belang voor structuur en functie. Op basis van deze gegevens is voor ieder soort een samengestelde score berekend, en is op grond daarvan een selectie van indicatorsoorten gemaakt. Tijdens een workshop met de project partners is deze lijst gefinaliseerd. Daarnaast is de potentie van het inzetten van samengestelde indicatoren zoals de AMBI index onderzocht. Het blijkt dat de AMBI of vergelijkbare index momenteel nog niet inzetbaar is,vanwege het niet beschikbaar zijn van een getoetste classificatie van de soorten t.a.v. de relevante stress factoren (bodemverstoring). AMBI en afgeleiden zijn in potentie een waardevolle indicator kan zijn waarvoor een redelijk beperkt aantal boxcore monsters benodigd is. Een tweede doel is om op basis van recente data afkomstig uit verschillende monitoringsprogramma’s tot een monitoring voorstel te komen dat geschikt is voor het vaststellen van zowel aanwezigheid van ‘typische’ HR soorten alsmede veranderingen in de trefkans en/of aantallen van bovengenoemde gebiedspecifieke ‘slimme’ indicatoren. Uit de analyse van beschikbare data blijkt dat de huidige monitoringprogramma’s niet toereikend zijn om van een groot aantal ‘typische’ HR soorten enkel de eventuele aanwezigheid aan te tonen. Met name de monitoringsinspanning op de Klaverbank en de Doggersbank schiet in dit opzicht te kort. Naar aanleiding van deze analyse worden in dit rapport 4 scenario’s voorgesteld met verschillende monitoringsinspanning. In 3 scenario’s wordt voorgesteld om in de bodembeschermingsgebieden (BBG) op het NCP - waaronder Natura 2000-gebieden – het aantal boxcore monsters uit te breiden en aan te vullen met schaaftrekken voor ‘slimme’ indicatoren. De schaaftrekken zijn nodig om de ‘slimme’ indicatoren die een lagere dichtheid hebben omdat ze veelal uit lang levende soorten gevoelig voor bodem verstoring bestaan, adequaat te bemonsteren. Specifiek voor de stenige Klaverbank wordt voorgesteld om schaaftrekken te vervangen door videotracks, en boxcores door Hamon happen. De voorgestelde aantallen monsters (boxcore, schaaf/video) in de 3 scenario’s zijn toegesneden op het kunnen vaststellen van de aanwezigheid van ‘typische’ HR soorten alsmede het vaststellen van een 50% verandering in de ruimtelijke verspreiding en/of dichtheid van ‘slimme’ indicatoren in elk van de BBG (met 80% zekerheid). De voorgestelde scenario’s zijn: 1) continueren van het huidige monitoring programma bestaande uit de 3-jaarlijkse MWTL monitoring met de boxcorer en de WOT schelpdierinventarisaties met behulp van de schaaf in de kustgebieden 2) BBG waarmee de aanwezigheid van ‘typische’ HR soorten en tevens 50% verandering in de ruimtelijke distributie van ‘slimme’ indicatoren kunnen worden geëvalueerd in de BBG op het NCP aangevuld met Bruine Bank 3) BBG+ is identiek aan BBG met daarnaast een continuering van het langlopende MWTL boxcore programma in overige gebieden 4) BBG+_abundantie is het meest uitgebreide scenario waarmee ook veranderingen in dichtheden voor een aantal ‘slimme’ indicatoren kunnen worden gevolgd. Met het oog op de KRM doelstellingen die NCP breed zijn, raden we verder aan om de inspanningen te concentreren op de gebieden waar bodembeschermings- maatregelen genomen zijn of gaan worden te weten de Natura 2000-gebieden (Noordzeekustzone, Voordelta en de Vlakte van de Raan), gebieden die als zodanig zijn aangemeld (Klaverbank, Doggersbank) en de Centrale Oestergronden en het Friese Front, en deze aan te vullen met de Bruine Bank als representatief gebied in de Zuidelijke Bocht. De bodemfauna in deze serie gebieden vormt een adequate dwarsdoorsnede van de gemeenschappen die op het NCP zijn aangetroffen. Een derde doel van deze studie bestaat uit een evaluatie van de temporele bemonsteringsfrequentie. Op basis van de lange tijdreeksen van MWTL boxcores (1995-2010) en WOT schaaftrekken (1993-2012)is gekeken of er in de BBG trends in de indicatoren te detecteren waren, en of die trends veranderen bij reductie van deze jaarlijkse tijdreeksen naar eens per 2 of 3 jaar. Het blijkt dan dat detecteren van lineaire trends nauwelijks nog mogelijk is mede door het optreden van nieuwe d.w.z. artificiële trends. Hierbij moet benadrukt worden dat er in de jaarlijkse MWTL monitoring weinig duidelijke trends te zien zijn. Omdat het MWTL programma al 2x temporeel onderbroken is, lijkt de noodzaak hier aan vast te houden weggevallen. Aangezien er eens in de 6 jaar gerapporteerd moet worden in het kader van KRM lijkt ons een bemonstering eens per 3 jaar een minimum vereiste. Onderzoek in gebieden waar bodemberoering wordt uitgesloten laat zien dat veranderingen zich langzaam voltrekken met name wat betreft grotere en langlevende indicator soorten. Middels hogere aantallen monsters in de gebieden kan per gebied en soort een statistisch betrouwbare uitspraak gedaan worden over 50% veranderingen in de trefkans/dichtheid tussen waarnemingen in de 6-jarige periode. Daarnaast kunnen waarnemingen vergeleken worden met de bandbreedte voortkomend uit MWTL waarnemingen over de afgelopen 20 jaar. Met deze instrumenten kunnen afwijkende patronen gesignaleerd worden en indien nodig aanpassingen gedaan worden aan het monitoringsprogramma om deze te volgen. Een laatste aanbeveling is om ook in de toekomst het monitoringsprogramma te evalueren aan de hand van power analyses omdat veranderingen in dichtheden en varianties van soorten hetzij kunnen leiden tot mogelijkheden om de monitoringsinspanningen te reduceren hetzij kunnen vragen om een uitbreiding om het detectievermogen te behouden.

106 p.
bijl., ill.
Met lit.opg.
In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (MIN EZ) onder begeleiding van het project team bestaande uit Vincent van der Meij (EZ), Robin Hamerlinck (I&M, RWS), Wilmar Remmelts (I&M), Hans Ruiter (I&M, RWS), Suzanne Stuijfzand (I&M,RWS) en Peter Bot (I&M, RWS), met bijdragen van Wouter Lengkeek (Bureau Waardenburg), Godfried van Moorsel (Ecosub), David Tempelman (Grontmij), Leo Soldaat (CBS) en Adriaan Gmelig Meyling (CBS)
Adviesrapport voor het bepaln van de informatiebehoefte en de benodigde ruimtelijke en temporele dekking voor de monitoring van benthos (bodemdieren) op de Noordzee voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en de Habitatrichtlijn (HR)