Hoe kan dat nou? : de discussie over de substitutiemogelijkheden tussen auto en openbaar vervoer

Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat (RWS), Dienst Verkeerskunde (DVK) Afdeling VXM, P.H.L. Bovy, A. Baanders, A.I.J.M. van der Hoorn, J. van der Waard Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal voor het Vervoer (DGV), Stafafdeling Beleidsonderzoek
Rotterdam : Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Adviesdienst Verkeer en Vervoer (RWS, AVV)
1990

Gaat in op de substitutie die wordt geconstateerd tussen auto en openbaar vervoer (OV), met name in het licht van de in het SVV II gelanceerde plannen. De nadruk ligt daarbij op de beantwoording van twee in dit verband relevante vragen, te weten: waarom trekt verbetering van het OV, gemeten op landelijke schaal, zo weinig automobilisten als klant aan ; waarom laten "push" maatregelen (autokosten, parkeerproblemen e.d.) zo weinig automobilisten naar het OV overstappen? De antwoorden op beide vragen zijn in essentie terug te voeren opéén gemeenschappelijk aspekt : er zijn nog teveel relaties waar het OV in onvoldoende mate een alternatief voor de auto vormt, mede gegeven de andere gedragsmogelijkheden die voor de automobilist openstaan. Er wordt geconcludeerd dat als substitutie het na te streven doel is van OV verbeteringen, deze verbeteringen met name gericht zouden moeten zijn op de (toekomstige) automobilist. Een dergelijke aanpak vraagt om OV volgens nieuwe concepten voor de systeemopbouw, met specifieke aandacht voor elementen die voor de huidige (captive) OV-gebruikers wellicht minder relevant zijn.

17 p.
ill. ; 30 cm.
(Aspecten uit verkeer en vervoer onderzoek)
Lit.opg. : p. 16-17.