Het nachtelijk uur en de kans op stralingsmist

Jan Terpstra, Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
De Bilt : KNMI
2002

Voor het onderzoek naar de kans op stralingsmist zijn de waarnemingen, die gedurende de jaren 1980 tot en met 1999 door de bemande synoptische stations in Nederland zijn verricht, bewerkt. Aan de hand van deze waarnemingen wordt aangetoond dat bij helder weer, terwijl de luchttemperatuur een aantal uren voor zonsondergang zijn hoogste waarde heeft bereikt en al aan het dalen is, het dauwpunt nog in waarde kan stijgen. De dauwpuntstemperatuur krijgt pas bij zonsondergang zijn definitieve waarde. Op dat moment ligt het waterdampgehalte van de lucht, waarmee de nacht wordt ingegaan en waarin de mogelijke vorming van stralingsmist plaats moet vinden, vast. Daarom is in de methode, waarmee de kans op stralingsmist wordt bepaald en die in dit rapport wordt beschreven, het tijdstip van zonsondergang als uitgangspunt genomen

V, 110 p.
fig., tab. ; 30 cm
(Technical report = Technisch rapport ; TR-247)
Met lit. opg.
KNMIAUT2002
ISBN 9036922186
ISSN 01691708